besparen

Inflatie daalt verder, maar koopkracht blijft krap voor veel Nederlanders

De inflatie in Nederland beweegt zich steeds dichter richting het niveau dat beleidsmakers als stabiel beschouwen. Toch merken veel huishoudens daar in de praktijk nog weinig van. De daling van de prijsstijging betekent namelijk niet dat het leven goedkoper wordt. Tegelijkertijd lopen vaste lasten verder op, waardoor de koopkracht voor grote groepen slechts beperkt verbetert.

Inflatie daalt verder in begin 2026

Volgens recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kwam de inflatie in januari uit rond de 2,4 procent op jaarbasis. Daarmee zet de afkoeling van de prijsstijging door ten opzichte van de tweede helft van 2025, toen het tempo nog duidelijk hoger lag.

De belangrijkste verklaring voor de daling ligt bij voedsel en energie. De extreme prijsstijgingen van 2022 en 2023 werken niet langer door in het jaar-op-jaar cijfer. Ook internationale grondstofprijzen zijn relatief stabiel gebleven. Toch blijven veel producten structureel duurder dan vóór de inflatiegolf.

Belangrijk om te benadrukken: een lagere inflatie betekent dat prijzen minder snel stijgen, niet dat ze dalen. Voor consumenten blijft het prijsniveau dus hoog.

Diensten en woonlasten blijven stijgen

Waar goederenprijzen stabiliseren, blijven diensten relatief sterk in prijs toenemen. Denk aan kappers, horeca, verzekeringen en onderhoudsdiensten. Vooral loonkosten spelen daarbij een rol: cao-lonen zijn in 2025 stevig verhoogd om eerdere inflatie te compenseren.

Daarnaast blijven woonlasten een belangrijke factor. Huurverhogingen per juli 2025 en stijgende gemeentelijke lasten drukken het huishoudbudget. Ook koopwoningbezitters merken de effecten via hogere hypotheekrentes bij herfinanciering.

Volgens ramingen van onder meer De Nederlandsche Bank blijft de onderliggende prijsdruk in de dienstensector voorlopig hoger dan in de goederenmarkt. Dat betekent dat de inflatie weliswaar richting 2 procent beweegt, maar niet in alle uitgavencategorieën gelijkmatig afneemt.

Koopkracht: lichte plus, maar grote verschillen

Gemiddeld genomen verbetert de koopkracht in 2026 licht. Dat blijkt uit recente doorrekeningen van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting. De stijging blijft echter beperkt tot minder dan één procent voor veel middeninkomens.

Voor lage inkomens met huurtoeslag en zorgtoeslag pakt het beeld iets gunstiger uit, mede door gerichte fiscale maatregelen. Huishoudens zonder cao-verhoging of met een flexibel inkomen zien daarentegen weinig verbetering.

Zelfstandigen vormen een aparte groep. Zij profiteerden minder van automatische loonstijgingen, terwijl hun zakelijke kosten – zoals verzekeringen en energie – wel zijn toegenomen. Per saldo kan hun besteedbaar inkomen onder druk blijven staan.

Rekenvoorbeeld: wat betekent dit concreet?

Een huishouden met een netto besteedbaar inkomen van 3.000 euro per maand en een loonstijging van 3 procent gaat bruto 90 euro per maand vooruit.

Maar als de vaste lasten in dezelfde periode met bijvoorbeeld 60 euro stijgen (huur, verzekeringen, gemeentelijke heffingen), blijft er netto slechts 30 euro extra over.

Bij lagere inkomens is de speelruimte vaak nog beperkter, omdat vaste lasten een groter deel van het totale budget vormen.

Supermarktprijzen blijven gevoelig punt

Hoewel de voedselinflatie is afgezwakt, liggen supermarktprijzen nog altijd duidelijk hoger dan twee jaar geleden. Consumenten zijn kritischer geworden en wijken vaker uit naar huismerken of discountformules.

Prijsvergelijkingen met buurlanden tonen aan dat Nederland in meerdere productcategorieën relatief duur blijft. Dat heeft onder meer te maken met hogere loonkosten en verschillen in btw-structuur.

De verwachting is dat stevige prijsdalingen in supermarkten voorlopig uitblijven. Retailers werken met langlopende inkoopcontracten en hebben te maken met hogere personeelskosten.

Energie: rustiger dan voorgaande jaren

Op de energiemarkt is de extreme volatiliteit verdwenen. De groothandelsprijzen voor gas en elektriciteit zijn aanzienlijk lager dan tijdens de energiecrisis. Toch betalen huishoudens nog steeds meer dan vóór 2022, mede door hogere netbeheerkosten en energiebelastingen.

Wie een variabel contract heeft, profiteert sneller van dalingen dan huishoudens met een meerjarig vast contract dat op een piekmoment is afgesloten.

Economische vooruitblik

Economen van onder meer Rabobank verwachten dat de inflatie in 2026 gemiddeld rond de 2 à 2,5 procent zal uitkomen. De economische groei blijft gematigd, mede door afzwakkende export en internationale onzekerheden.

De arbeidsmarkt blijft relatief krap, wat loonstijgingen ondersteunt. Tegelijkertijd kunnen hogere werkgeverskosten worden doorberekend in prijzen, wat de inflatie weer licht opstuwt. Het risico op een nieuwe sterke prijsopleving lijkt voorlopig beperkt, maar volledige prijsrust is nog niet bereikt.

Wat kunnen huishoudens doen?

In een omgeving van gematigde maar aanhoudende prijsdruk zijn gerichte acties belangrijk:

  1. Controleer jaarlijks energiecontracten en vergelijk actief tarieven.
  2. Bekijk of alle toeslagen correct worden ontvangen.
  3. Onderhandel waar mogelijk over abonnementen en verzekeringen.
  4. Maak gebruik van huismerken en wisselende supermarktacties.
  5. Reserveer maandelijks een vast bedrag voor onverwachte uitgaven om schokken op te vangen.

Kleine optimalisaties kunnen op jaarbasis honderden euro’s verschil maken.

Conclusie

De Nederlandse inflatie beweegt richting een stabieler niveau, maar het prijspeil blijft hoog. Voor veel huishoudens betekent dit dat de koopkracht slechts beperkt verbetert. Vooral vaste lasten en dienstenprijzen houden druk op het budget.

De grote inflatieschok ligt achter ons, maar volledige financiële ademruimte is nog niet teruggekeerd. Voor consumenten blijft actief budgetbeheer daarom essentieel in 2026.


Bronnen: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), De Nederlandsche Bank (DNB), Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud), Rabobank economische ramingen.

Originaliteitsverklaring:
Dit artikel is zelfstandig geschreven op basis van meerdere openbare bronnen en bevat geen overgenomen tekst.